Kampen en essen

Dit landschap wordt gekenmerkt door een onregelmatige verkaveling en kronkelige wegen.

De gronden op de hogere delen van de dekzandvlaktes en op de grotere dekzandruggen werden al vroeg in cultuur gebracht. De eerste tekenen van agrarisch gebruik dateren uit de Nieuwe steentijd (ca. 4500 jaar geleden). In de late Bronstijd en IJzertijd (ongeveer 1000 voor Christus tot begin jaartelling) was het zelfs dichtbevolkt. Er lagen zeker zoveel boerderijen als in de middeleeuwen.

In de Romeinse tijd nam de bevolking af, maar in de vroege middeleeuwen (van het jaar 0 tot ongeveer 850 na Christus) begon de bevolking op het platteland weer te groeien. De oudste landbouwgronden, de enken, waren ook nu weer in trek. Kenmerkend zijn de boerderijen rondom de enk.

Vruchtbaar esdek

De enken hebben een typisch bolling. Die bolling ontstond doordat de grond eeuwenlang werd opgehoogd met heideplaggen, vermengd met mest. Dit leverde een vruchtbaar ‘esdek’ op, geschikt voor de landbouw.

Enken heten in andere delen van het land 'essen'. Ze hebben een open karakter. De randen van de enk zijn omzoomd door beplanting en de agrarische erven.

Kampen zijn kleinschaliger

Het verschil tussen het kampen- en enkenlandschap is de maat en schaal van de ontginningen. Het kampenlandschap is individueler ontgonnen op de kleinere dekzandkopjes in en langs de lager gelegen gebieden. Het heeft een kleinere landschappelijke maat en schaal dan het enkenlandschap.

Warken

Dit gebied zien we terug in Warken. Kenmerkend voor het landschap zijn een onregelmatige verkaveling en kronkelige wegen. Houtwallen, bosjes, erfbeplanting en wegbeplanting vormen dit kleinschalige landschap. Het landschap had oorspronkelijk reliëf. Bij de ruilverkaveling is het land geëgaliseerd, waardoor het reliëf veelal verloren ging.

Afwisseling tussen open en besloten en variatie in bebouwing en functies is kenmerkend voor dit landschap. De Warkense enk is nog wel goed herkenbaar, ook als wordt de enk niet meer alleen voor akkerbouw gebruikt. Rond de enk liggen nog steeds agrarische bedrijven die al meer dan 1000 jaar bestaan.

Kleinschalige agrarische percelen

Traditioneel voeren de boerenbedrijven op de zandgronden een gemengd bedrijf. Tot ver in de 18e eeuw was de veehouderij zwak ontwikkeld en diende deze hoofdzakelijk voor de productie van stalmest. Dit betekende dat er weinig ruimte was voor specialisatie. Voor de boeren was continuïteit en bestaanszekerheid belangrijker dan winst maken. Zo onstonden kleinschalige agrarische percelen, die nog steeds zichtbaar zijn.

Invloed van de marken

De vorming van marken heeft eveneens invloed gehad in de huidige verschijningsvorm van het landschap. De marke was als onverdeeld grondgebied in gezamenlijk eigendom van de eigenaren van de boerderijen rond het enkcomplex, die elk een vastgesteld aandeel hadden. Hoe groter het aandeel in de marke, des te meer macht had de boer in de boermarke. Dit uitte zich tevens in de grootte en het aanzien van de bebouwing. Via deze markegenootschappen konden ook nieuwkomers op de agrarische markt geweerd worden.

In het oude agrarische cultuurlandschap zijn de hoogteverschillen (Warkense enk!) nog goed zichtbaar wat een grote (recreatieve) waarde heeft. Ook de Warkense Molen kent een recreatieve aantrekkingskracht met het bakkerijmuseum. Het gebied kenmerkt zich verder door de afwisseling van agrarische bedrijven en woningen.